1774

Journaal van Eene Reijze na Indien <1>

I:J: Sweers De Landas <2>

26 Sept.

 


Geannoteerde bewerking van Herman de Wit, Maarssen, 2008.


 

Journaal van Een Reis na Indien

Na den Schoonen Haag verlaaten gehad te hebben vertrok ik na Amsterdam zijnde den 17e September 1774. Ik vertoefde in die Stad tot Woensdag den 21 September, wanneer ik in 't Jagt van de Comp: ging, daar ik alreeds van te vooren op versogt was geweest door de Heer Bewindhebber Beaumont.

Wij zeilde met een frissche Koelte de Zuijder-Zee in met eene aangenaame gezelschap zijnde, de Heer Bewindhebber Beaumont met zijn Dogter en Zoon, de Heer Muijden met zijne Edles Egtgenoot & de Juffr. I. Mackaij (zijnde de Dogter van de Majoor der Schotten in Hollandsche dienst) makende aldus tesaamen uijt een geselschap van 7 Persoonen, mijn zelven daar onder gerekent. Terwijl wij middagmaal hielden wierden de Kanonnen afgelost & vertrokken van Amsterdam, na Adieu van mijn tedere Famillie & van die Stad genoomen te hebben. Wij kwamen Donderdags pas aan de Helder aan, dat den uijthoek van Hollands vaste kust is. s'Morgens gingen wij na het Schip om te Monsteren, dit was de eerste visite dien ik 't Schip Het Loo deed. <3>
Vrijdag ariveerde de Scheepen de Silveren Leeuw & Landskroon in Texel. <4>
Wij diverteerden ons charmant, de tijd scheen te vlieden. Maar eindelijk kwam de dag aan dat ik van dit aangenaam gezelschap scheiden moest. <5

Saterdag de Wind O: waaijende nam ik afscheidt van het Jagt & vertrok na Boord. Wij dagten s'anderdaags te vertrekken, maar het miste zo sterk dat wij niet dorsten wagen de Hoofden te passeeren. Het was Zondag en die dag verveelde mij schrikkelijk. Wat was ik blijde dat het maar eene dagh duurde van in Texel te blijven leggen want het gebeurd somstijds dat men 'er Maanden moet blijven, zonder te kunnen vertrekken, & dat men in die tusschen tijd niet van Boord mag gaan.

Maandag den 26 September was het smorgens ook mistig, maar Phebus met sijn gulde wagen zig hebbende vertoond deed wel haast die nevel den baan ruijmen, om plaats aan een schoone & heldere dag te maaken. De wind zuijd oost zijnde lieten wij zulke eene schoone gelegentheid niet voorbij vaaren maar maakten ons klaar, zo dat wij om halff twaalff adieu zeide van Texel & om 2 uuren aen't Vaderland, die wij zolang met onse Oogen nazagen tot dat het eindelijk verdween, wij maakten dan een salvo uijt de monden van 13 stukken geschut en vertrokken; gaf doe brieven nog mêe aan de Lootsen voor mijne goede vrienden. <6>
Toen wij vertrokken lagen nog in Texel de Scheepen de Patriot voor Batavia, Overhout & Aschat. <7>

Dingsdag den 27ste passeerde wij de Hoofden <8>, kwamen wij in 't Canaal en zagen Douvres en ten Westen van ons, leggende op deze hoogte zag ik klaar de Engelsche & Fransche kust. De Engelsche vertoonde zig wit, & bestaat uijt krijtbergen; de Fransche Swart. s'Middags om 4 uuren kwam een Engelsche Jol aan boord om te vragen of wij ook brieven hadden voor de Oost Ind. Comp., ik maakte hier op direct een brief gereed voor de Ed. Heeren Bewindhebberen van de kamer Amsterdam, & nam bij die gelegentheid ook waar brieven na Holland te schrijven.

Woensdag den 28ste schommelde het braaf zo dat ons meeste volkje Zeeziek wierd. Ik heb er niet veel van geweeten, hebbende maar een beetje hoofdpijn gehad. Dien dag vong ik de nevenstaande vogelen die extra[?] mak waren. fig. 1 & 2.
 

De naam onbekend. <9> Vogel gevangen tusschen Engeland & Frankr. in het Canaal.

 

Donderdagh den 29ste Z:W: de wind praaide een schip dan na Texel ging.
Van Vrijdags den 30 tot Dingsdagh den 4 october hebben buijig weer gehad, weerlichtende het zeer sterk.
Dingsdag den 4 hadden wij goeden wind en koeltjes, zo dat wij tamelijk wel avanceerde.
Donderd: & Vrijdagh ook goede wind dat seer aangenaam op het schip is. Caap Lezard hadden wij ten N. van ons. <10>

Ik had vrijdags den 7 october een aardig geval, na bed gegaan zijnde om halff tien uuren (zijnde vroeger als na gewoonte) de Kaars uijt gedaan hebbende & alles in rust zijnde in mijn Cajuit had ik geen Kwartier geleegen of ik zag, wat wonderlijks, namentlijk iets dat na een ligtje van een kaars lijkende 't welk op den bodem van de kaamer sprong. Ik verschrikte denkende dat het kruijt was want het ligtje sprong drie maal, een distantie van een voet breed tusschen ieder sprong latende. Ik keek uijt het bed zag 't ligtje niet meer in 5 minuten, wanneer het zig weeder vertoonde, toen leed ik mij het aansigt uijt het bed, om ter deeg te kunnen bezien wat het eijgentlijk was, dog ik kon niet begrijpen wat het wezen mogte. Het begon weeder sijne danst als vooren & sprong weder drie maalen, latende weeder eene distantie van een voet breed tusschen ieder sprong. Het welke het nog eenmaal hervatte dog weeder eene tusschen pozing van 5 minuten agter sig latende, wanneer ik het niet meer gewaar geworden ben.

Zaturdag den 15 october stormde het braaff ik ging in dien storm op het halve dek wandelen & met iemand staande te praaten kwam ondertusschen een golf zeewaater booven het schip heen, die mij meede nam & eene distantie van vier voet mij op de grond nederwierp ik was so nat dat ik mij van top tot teen moest gaan verschoonen, daar wierd nog helder over mij, uijtgelachen. 't Is gebeurd dat zo een Vlaag iemand over boord sloeg.

Den 19 october sien 't Eijland Madera & praaijden 't schip Nieuw Rhoon in goede Welstand, was den 18 september uijt Zeeland vertrokken daar Capt. van was de Heer Halfman. <11>
Primo November zien 't Eijland Insula de Sel & Buono Vèsta, en Maijo den volgende dag. <12>
Den 2e d° zagen wij de Baaij van Porto Praaijo, gelegen in 't Eijlandt St Jago, op de hoogte van 15 gr. N-Breete, & gingen aldaar ankeren. <13>
 

 

 

Den 3 d° ging ik na de wal. Het vertoond sig schoon van verre, maar was niets ander dan armoedig van nabij. Wij haalden aldaar Waater.

Dit Eijland heeft het ongeluk gehad van in geen 9 Maanden een drup water van den Hemel te kunnen genieten, & nog die van haare Inwoonders alle dagen van  honger te sien sterven, die direct op 't strand verbrand worden om geen prestilentie te veroorsaaken. Het eenigste voedsel waarvan de Inwoonders sig tegenwoordig geneeren,  bestaat in 't visschen & in de vrugten van 't Land. Daar plagten Bokken op dit Eijland te weezen, maar men vind se er tegenwoordig niet meer bij gebrek van die Beesten hebben de Inwoonders zig over moeten geven tot het eten van Ezels-Vleesch. Dit Eijland hoord den Portugeeschen Monarch toe, die aldaar ook een Fortie houd, dat geen tegenstand zoude kunnen bieden schoon men wel teegenstand zouden kunnen vinden om aan wal te geraaken. De bezetting bestaat in 50 koppen Europeesen & de rest swarte dog zij zijn zo armoedig voorsien van Levensmiddelen & Buskruijt dat sij het niet lang zoude kunne uijthouden. De meeste waren van sints om te deserteeren indien onse Cap. haar had willen ontfangen, zelfs tot Luijtenants incluijs. De meeste Inwooners sijn of zwarte dat Inlanders zijn of Gebakkene Portugeesen die het te bontig in hun Land gemaakt hebben & hier hunne straffen moeten ondergaan. Komt men aan wal hoort men die elendigen u nalopen om een stuk brood of kaas, Gepasseerd Jaar waaren'er 25000 huwbaren persoonen te verstaan Inlanders die tegenwoordig op 10000 versmolten zijn. Voorleden maand zijn er 333 persoonen gestorven. Hebben selfs een dode sien liggen die van honger gestorven was. Ik deed aldaar eene visite aan den Gouverneur, dat al mede eene gebannene was. Ik vind dien Heer in het rood gekleed met een galon daar op. Verbeeld u een man te zien dik en Vet van een middelmatige postuur die sijn kleur geleek na dat van Olijven & een muts op had van wit Catoen met een bril op de neus, de armen uijt sijn opgeschikte kleedje hangende die heel aan flenterend scheen gescheurd & die de vader van sijn overgrootvader al scheen gedragen te hebben. Hij bad ons sijn huijs aan & zeide dat so lang wij op de rhee bleeven leggen dat het tot onse gebruijk was. Het Huijsje had deselve statelijkheid als zijn deftige Meester behalven dat 'er twee Portraiten van de Koning & Koningin van Spanjen hingde, die alle bijde wel na spoken geleken moetende wel door de Hand van een groot Meester geschildert sijn na de parade die sij aldaar makende wij moesten aan hem 3 Rds, voor het ankeren betaalen.

Het Eijland St. Jago leverd van sijn eigen niets als Suijker & rhum, dog weinig. De Grond is er zeer droog en klippig. Te Porto Praaijo staat nog een huijs van een Maatschappij Portugeeschen Cooplieden die handel in Slaven drijven. Dat al meede so net is als de rest, dat er geen Hollandsche Boer er in zoude willen woonen.
  

Vogel van 't Eijl: St Jago. <14>

 

Op dit Eijland is ook een soort van moschen half zo klein als in Holland, hier nevens staat een vogel die ik te St. Jago gezien heb, ook heeft men in de Baaijien menigte van allerhande Visschen voornamentlijk Haring & een visch van rode Coleur met goude vennen, die delicieus smaakt. De capiteijn heeft een morgen uijtgeweest met de schuijt & binnen een uur zoo veel visch gevangen dat al het volk'er van gegeeten heeft. Beneden op de oevers van de Baaij zijn een meenichte van Kostelijke hoornties & schlepies benevens zee gewassen, daar ik een mooije Collectie van gemaakt heb.

Voor 't laatst heb ik hier aan te merken dat indien iemand in dit Eijland & op andere plaatsen in Indien kwam, hij zig voor al moet wachten van niet alles te eeten dat men hem præsenteert, en vooral goed dat onrijp is, gelijk appel sinaas & orange appelen. Wanneer die groen zien is een teken van onrijpheid, hebbende zelfs de ondervindige'er van gehad.
Een swarte mij een zoort van een vrugt aangepresenteerd hebbende om het te koopen, nam ik het aan na hem de waarde 'er voor betaalt te hebben. Ik had er pas 3 opgegeten, wanneer een swarte mij tegen kwam die mij zeide Sta no buona Signora Hollandeze ('t welk wil zeggen het is niet goed Mijn Heer den Hollander). Dewijl ik een beetje Portugeesch kon verstaan & het tamelijk wel sprak verstond ik direct wat den Inlander mij gezeid had, bedankte hem'er voor gooijende alle die vrugten weg, dewelke veel na hazen noten geleeken. Ik had geen uur die vrugt binnen of ik kreeg een zwaare hoofdpijn, dewelke wel haast met braken geverzeld ging zodat ik dagt dat zij mij vergeeven hadden. Het ergste was als ik wilde spoegen, ik het niet konde doen. De raad dien ik hier voor gebruijkte bestond alleenig hier in een stuk zuijkerriet uijt te zuijgen, dat een soete en aangenaame smaak heeft. Ik bon dan een doek om mijn lijf forceerde mij een beetje en ging wat sitten in de schaduwe van de Zon. Men moet wel oppassen wanneer men de braking krijgt het niet te bedwingen maar het integendeel zijn gang te laten gaan, dit is mij zeer wel bekommen & binnen een uur ben ik 'er quyt van geweest. En ook van zig in Zee te baaden uijt vrees der Haaijen die hier rond om op strand swerven,

Den 6 arriveerde op Porto Praaijo het Ed. Oost Ind. Schip de Indiaan, dit schip was een dag of twaalf voor ons vertrokken, schipper J. Raatjes, daar ondercoopman op was de Hr. Binkes. Eer wij van Porto Praaijo vertrokken schreef ik een brief aan de Ed. Heeren Bewindhebberen.
Wij lichtede het anker voor Porto Praaijo den 7 dito & begaven dien avond ons op reis, latende het schip de Indiaan in de Baaij van Port Praaijo leggen Salueerende het Casteel met negen Schooten ('t welk wij ook bij ons arrivement gedaan hadden). Van Porto Praaijo tot de Linie dewelke wij s'nachts den ...... passeerde hebben wij ...... dagen onderweegs geweest, het is het moeijelijkste van de geheele reis. <15>
Daar waren dagen, de Stilte begon hier omstreeks 11 Gr. No:Br:, dat het zoo stil was dat men met een pen op de zee zoude hebben kunnen schrijven, 't welk onzaggelijk verveelt, omdat het ordinair zeer warm is, maar eijndelijk kwamen wij'er beneden alwaar wij direct in de S:O: passaat kwaamen.
Wij hadden 3 doden van Porto Praaijo tot beneeden de Linie.
 

Vliegende Visch in 't groot.
Zoals zij sig vertoonen wanneer zij uijt zee komen.
 

 

Van Porto Praaijo tot de Linie zijn een meenigte van visschen daar wij nog eenige van vongen; maar hebben maar een vliegende visch gevangen waar van ik hier eene beschrijving zal geeven beneevens een figuur daar van.
Geen dier bijna, dat op 't Landt of in 't water zich onderhoudt, lijdt grooter vervolging dan deze visschen want onder water wordende van de Tonijnen, Haien, en andre zee gedrogten geduurigh vervolgt, waar over, om lijf en leven te bergen, zij dus, gelijk gezegt is, bij zwermen ter Zee uit schieten. Maar zoo dra komen ze niet boven water in de lucht of de gemelde Zee-vogels zitten daar agter heen en vervolgen se zoo lang tot datze dezelve krijgen, of deze visschen met zich onder water te begeven hen ontsnappen, alwaar zij dan weder van de gemelde Tonijnen Haien en andere visschen vervolgt worden. Invoegen zij geduurig zonder eenige stilstand, onder en boven water met hunne vijanden in oorlogh zijn.
In 't vliegen houden ze geen streek maar vallen dikwils, uit vermoeitheid, tegen de zeilen en't wand aan. Ook komen ze bij wijlen op den overloop in groote meenighte neer te storten en blijven aan 't wand met hunne vlerken hangen. <16>

 


Noten:

  1. Nationaal Archief Den Haag, Familiearchief Emants (toegang 3.20.15), inv.nr. 145: Alhoewel de titel suggereert dat hier de gehele reis is beschreven, eindigt dit bewaarde verslag al na enkele maanden als men zich ter hoogte van de evenaar bevindt. Het is speculeren, maar wellicht trof men bij een tussenstop (op Sint Helena?) of ontmoeting op zee een retourschip, waarmee het journaal als bijlage bij een brief naar de familie Emants is meegegeven. Het zelfgemaakte boekje, met 14 pagina's tekst, bevat enkele zwart-wit en kleurenschetsen van de auteur.

  2. De auteur van dit werk is bekend door uitvoerig onderzoek naar een familie De Roth, op enig moment zal hierover worden gepubliceerd: Isaac Johan Sweers de Landas, geb. Suratte 26.1.1756, onderkoopman VOC, overl. Batavia 23.12.1775, zoon van Jacob Anthonie Sweers de Landas en Jacomina Dorothea de Roth. Isaac verliest zijn moeder op 2-jarige leeftijd en enkele jaren later wordt hij door zijn vader naar Nederland gestuurd, waar hij in Den Haag onder de hoede komt van zijn tante Christina Sebastiana Sweers, die gehuwd is met Marcellus Emants. Zijn broertje Louis Guelliam Sweers de Landas, twee maanden voor het overlijden van zijn moeder geboren, komt enige tijd later eveneens naar Den Haag. De jongens zullen daar een schoolopleiding hebben gehad. In het gezin Emants woont op dat moment ook de broer van hun moeder, Elardus Magnus de Roth.

  3. Dutch-Asiatic Shipping in the 17th and 18th centuries (DAS), door J.R. Bruijn, F.S. Gaastra en I. Schöffer, online versie http://www.inghist.nl/Onderzoek/Projecten/DAS: Het VOC-schip 't Loo was in 1768 voor het eerst naar Batavia gevaren en op 26 september 1774 vertrok het vanaf Texel voor zijn zevende reis naar Batavia.

  4. DAS: Het schip de Zilveren Leeuw kwam terug uit Bengalen, de Landskroon kwam uit Ceylon

  5. Nederlands Scheepvaartmuseum Amsterdam, signatuur A-IV-1-481, "Kort journael van een reysje gedaan naar Texel met het O.I. Compagniesjagt van Amsterdam, ter monstering van twee uytgaande Oost Indische scheepen". Dit journaal is gepubliceerd in: Vibeke Roeper & Roelof van Gelder, 'In dienst van de Compagnie, Leven bij de VOC in honderd getuigenissen (1602-1799)', Amsterdam, 2002. Het door een anoniem gebleven auteur gechreven journaal over deze monstering geeft nog enkele details over Isaac Johan Sweers de Landas over de dagen dat hij aan boord was van het jacht:
    - woensdag 21 september: "Het jacht vertrok 's middags uit de stad en salueerde met vijf schoten. We aten al zeilende, het was zeer aangenaam weer, en voeren die dag tot onder Marken, waar we voor de nacht bleven liggen."
    - donderdag 22 september: Om vijf uur 's ochtends ging het jacht weer onder zeil en omstreeks acht uur passeerde men Enkhuizen, rond vier uur 's middags arriveerde men op de rede van Texel. Men begroette het schip 't Loo en salueerden voor de oorlogsschepen. Aangekomen in het Nieuwe Diep kwam commandeur Robijn aan boord en rond vijf uur kwam het jacht aan bij de gewone ligplaats van de Oost-Indische Compagnie. "De heer Sweers en de zoon van de bewindhebber maakten daarna nog een uitstapje naar Den Helder."
    - vrijdag 23 september: Men stak het Nieuwe Diep over om het schip 't Loo te monsteren. Daarna voer het jacht het gat van Texel uit, "over de drempel tot aan de tweede ton", waarna het omkeerde en men rond drie uur die middag al etend in het Nieuwe Diep arriveerde. 's Middags ging Isaac Sweers met de zoon van Beaumont naar Den Helder om het arriveren van de twee retourschepen Landskroon en Zilveren Leeuw te zien. Tegen de avond kwamen de schepen daar aan.
    - zaterdag 24 september: Isaac Sweers ging die middag aan boord bij 't Loo, "samen met de heer Peirolet, die op dat schip als konstabelsmaat zou dienen en de dag tevoren met een jachtje op de rede was gearriveerd. Met dat scheepje zijn de beide heren (de heer Peirolet had die middag ook bij ons gegeten) naar hun schip gebracht".
    In dit journaal wordt de samenstelling van deze groep mensen bevestigd, maar het geeft geen aanvullende informatie over de exacte samenstelling van de groep, m.u.v. de woonplaats van het echtpaar Van Muyden. 
    M.b.v. andere bronnen blijkt de reconstructie van deze groep van zeven personen
    mogelijk, met een vrij grote mate van zekerheid:
    - Mr. Cornelis Joan (ook Jan, Johan) van Beaumont met zijn zoon en dochter; Cornelis Joan van Beaumont, geboren in 1720 aan de Kaap de Goede Hoop, advocaat, was een zoon van Cornelis van Beaumont, independent fiscaal aldaar, en Deliana Blesius; hij was gehuwd (o.tr. Delft 15.3.1749) met Esther van Bijnkershoek en woonde in Den Haag. Het echtpaar had drie kinderen, een zoon en twee dochters, waarbij de jongste vrijwel zeker een stuk jonger was dan haar zus. De beide kinderen aanwezig op het schip naar Texel waren daarom vrijwel zeker:  zoon  Everhardus Gisbertus van Beaumont, vermoedelijk in Den Haag geboren, en dochter Sara Cornelia van Beaumont, geb. Den Haag 30 januari 1753. Als VOC-bewindhebber bij de kamer van de Amsterdam hield Cornelis van Beaumont  zich bezig met de monstering, d.w.z. dat hij toezicht hield op de scheepspapieren, lading en scheepskisten en hij de bemanning voor vertrek de eed afnam en ervan ontsloeg na terugkeer. Hij was tevens schepen van Delft (genoemd in 1769). 
    - Vermoedelijk waren dit  Jacob Evert van Muyden (1732- ca.1800), bewindhebber van de WIC te Amsterdam, en zijn echtgenote Anna Catharina Verbeek; het echtpaar woonde in Utrecht.
    - Jufvrouw Mackaij zal Isabella Nanette Mackay (1749-1809) zijn geweest, dochter van Iye Mackay, majoor bij het regiment Schotten, en Barbara Gordon. Wellicht kenden de families Van Beaumont en Mackay elkaar uit Den Haag, waar de familie Mackay woonde voordat zij naar Delft verhuisden.

  6. DAS: Het schip 't Loo vertrok alleen. Aan boord van het 1150 ton metende schip bevonden zich bij vertrek uit Texel 353 personen, t.w. 268 zeelieden, 71 militairen en 14 handwerkslieden.  Schipper was Gerrit Berg. Op 15 september waren er al drie schepen op 't Loo vooruit gegaan, t.w. Indiaan, Jonge Lieve en Ridderkerk

  7. DAS: Deze schepen vertrokken dat jaar gezamenlijk op 27 oktober richting Batavia, samen met het schip de Jonge Hugo.

  8. De Hoofden is het Nauw van Calais.

  9. Deze op een los papiertje getekende vogel is vermoedelijk een grote lijster. De genoemde figuur 2 zal verloren zijn gegaan, want het maakt geen onderdeel uit van dit archiefstuk.

  10. Vermoedelijk Cape Lizard aan Het Engels Kanaal.

  11. DAS: Volgens deze bron zou de naar Batavia op weg zijnde Nieuw Rhoon als schipper ene Jacob Koelders hebben gehad; de naam Halfman is niet in het grootboek aangetroffen.

  12. Het gaat hier om Kaapverdische eilanden Sal, Boa Vista en Maio. De kaapverdische eilanden werden vroeger ook wel de zouteilanden genoemd. 

  13. Porto Praaijo is Praia, de hoofdplaats van Kaapverdië op het hoofdeiland. Het eiland Sint Jago is Sao Tiago (Santiago).

  14. Ongetwijfeld is dit een kanarie.

  15. De auteur heeft open plekken laten vallen daar waar het gaat om de datum waarop de linie (d.i. de evenaar) werd gepasseerd en het aantal dagen dat men daarover deed. Wellicht is de auteur dit vergeten later aan te vullen of heeft het te maken met het onverwacht verzenden van dit deel van het jounaal. Vanaf dit punt naar de Kaap gebruikte men een route richting zuiden in de zgn. 'wageweg', een lastig stuk vanwege windstiltegebieden. Dan vervolgde men zuid-west totdat men in de golfstroom kwam voor Zuid-Amerika, waarna men naar oost draaide richting de Kaap.

  16. Hier eindigt het relaas abrupt, vermoedelijk omdat het naar Den Haag is gestuurd. Volgt hier aanvullende informatie over de reis en het verblijf van de auteur:
    DAS: Het schip 't Loo verbleef van 24 januari tot 3 maart 1775 aan de Kaap de Goede Hoop en arriveerde op 18 juni 1775 voor Batavia. Tot aan de Kaap de Goede hoop sterven 20 personen. Bij de Kaap gaan 58 personen van boord, maar er komen ook weer 33 personen bij aan boord, voordat het schip de reis richting Batavia voortzet. Tot de aankomst in Batavia sterven nog eens 17 personen, 2 mensen deserteerden, zodat uiteindelijk 289 personen aankomen in Batavia (224 zeelieden, 51 militairen en 14 handwerkslieden).
    Nationaal Archief Den Haag, Archief van de Verenigde Oost-Indische Compagnie, 1602-1795 (toegang 1.04.02), inv.nr.  6605: Isaak Johan Sweers de Landas verblijft na aankomst in Batavia in die stad en volgens dit grootboek en journaal van het schip 't Loo is hij op 20 december 1775 vermist. Opvallend is dat geen overlijdensdatum wordt vermeld en dat zijn laatste tegoed niet is verrekend met zijn erfgenamen.
    Nationaal Archief, Den Haag, idem, inv.nr.  5233: Isaac wordt genoemd in de generale monsterrol onder '61 Coppen Pennisten buyten Emplooij' in Batavia, waaronder ook zijn oom Elardus Magnus de Roth staat, die als boekhouder werkzaam is en in 1767 vanuit de familie Emants in Den Haag naar Batavia was vertrokken.
    Centraal Bureau voor Genealogie Den Haag, dossier Sweerts de Landas: dit genealogisch dossier meldt zonder bronvermelding dat Isaak op 23 december 1775 is overleden.

 


Geannoteerde bewerking van Herman de Wit, Maarssen, 2008 (laatste mutatie 13.2.2013) | Deze pagina is een onderdeel van de-wit.net.