Plakkaat inzake verbod op begraven in kerken en praal

Provincie Holland - 1795

Bewerkt door Richard Keijzer


 

Het originele plakkaat in het Alkmaars archief, met de nodige vouwen - bekijk de vergroting (2MB)

 


Transcriptie:

 

 

VRYHEID, GELYKHEID,
BROEDERSCHAP

PLACAAT

De provisio-
neele Repraesentan
ten van het Volk 
van Holland, allen 
den geenen / die de-
ze zullen zien of 
hooren leezen / Heil 
en Broederschap / 
doen te weten / dat 
wy in overweging hebbende genomen / 
hoe met de grondbeginselen in onze Pu-
blicatie van den 31 January 1795 ver-
vat en ten rigtsnoer van onze eigene ver-
rigtingen en gedrag aangenomen / en 
waar op het Gebouw der toekomstige 
waarlyk vrye / en met de onvergankelyke 
Rechten van den Mensch en Burger 
overeenkomende / Regeringsform moet 
worden gevestigd geenzins zyn overeen 
te brengen de overblyfsels zoo van het 
bygeloof der vorige tyden / als van de
dwaze trotsheid der zogenaamde Edele
of Ridderlyke geslagten / welke / tot schan-
de der tegenwoordige meer verlichte ty-
den / en van de zoo gelukkig in deze Re-
publicq herkregene Vryheid / nog heden
in onze kerken gevonden worden; en
boevn dien gecosidereerd hebbende / dat /
hoe zeer de nadeelen / welken uit het begra-
ven in de Kerken naar het oordeel van
deskundigen moeten voortvloeijen / en
ook dadelyk ondervonden worden voor
de gezondheid der genen / die dezelve
Kerken frequenteren / door niemand im-
met tegengesprooken zyn of kunnen wor-
den / echter de loflyke voorbeelden / ons
van die schadelyke gewoonte af te gaan /
sedert eenigen tyd op verscheidene Plaat-
sen van ons Land gegeven / van geen
genoegzamen invloed ter navolging zyn
geweest / en het dus van onze onver-
mydelyken plicht is / om / door onze tus-
schenkomst / de betere uitwerking derzelve
ten nutte van het algemeen welzyn te
bevorderen; - en voords ook in aanmer-
king genomen hebbende / dat het ophan-
gehn of plaatsen van Wapenschilden in
Kerken of voor Huizen of andere Gebouw-
wen tot niets anders dient / dan om de
vooroordeelen aan te kweeken en te on-
derhouden / als of die genen / welken zich
die Wapens ToeŽigenen / voortreflyker
wezens waren / dan hunnen Natuurgeno-
ten / uit welke inbeelding dan ook ge-
sproten zyn de bespotlyke tituls van Hoog-
edel / hooggeboren / hoogwelgeboorden /
hoogedel Gestrenge / of Weledel Gestren-
ge Heer / met welke de eene Mensch zich
door den anderen / zelfs na zynen dood / en
dat in plaatsen / die niets dan de zuiver-
ste nederigheid en eenvoudigheid behoor-
den te ademen / laat begroeten; en voords
ook de nog haatlyker gewoonte van zy-
nen Medemensch / die in het geval is /
van om het genot van kost / loon / kleding en
huisvesting zyne natuurlyke vryheid voor
eenigen tyd tegen eenen dienstbaaren staat
te moeten verwisselen / daar toe nog daar
en boven te verpligten / dat de Teekens
dezer dienstbaarheid door veelverwige
uitmonsteringen van allerleien aart op de
kleederen alomme met zich moet dragen.
En eindelyk nog geconsidereerd heb-
bende / dat de Banken van Distinctie of
zogenaamde Eergestoeltens voor byzon-
dere Collegien / Ambtenaar of fami-
lien / thans in onze kerken plaats heb-
bende / hoe zeer juist niet uit de boven-
gemelde oorzaken afkomstif / echter ter
dezer plaatsen almede eene onbehoorlyke
onderscheidinge vertonen tusschen den
Burger die met het publicq bestuur is
belast / en zyne Medeburgers / die hem
daar toe hebgen aangesteld / waar door
het denkbeeld van Gelykheid / het welk
vooral by den eerstgemelden nimmer uit
het oog behoort verloren te worden / te 
zeer wordt verzwakt; - of waar door de
onderscheiding van tydelyken Bestierder
des Volks en het Volk zelve / althans op
een' tyd en plaats / wordt gevorderd/ al-
waar dezelve in geenen deele kan te pas
komen:
ZOO IS HET, dat wy om alle deze re-
denen hebben goedgevonden en gedecre-
teerd / gelyk wy decreteeren by dezen:

Art 1
Dat / met den aanvang van het eerst-
komende jaar 1796, alomme binnen deze
Provincie zal moeten cesseren het begra-
ven van Lyken in alle Kerken / mits-
gaders ook binnen de Steden of Dorpen

2.
Dat ten dien einde binnen den loop van
dezen jare 1795, en wel / zoo veel moge-
lyk / voor de maand November / of im-
mers uiterlyk December dezes jaar /
door elke Municipaliteit zal moeten wor-
den aangelegd / en ten gebruike vervaar-
digd / eene / zoo ver mogelyk van Huizen
en gemeene Weger verwyderde / Begraaf-
plaats of Begraafplaatsen / die wel groo-
ter / maar niet kleiner / zal of zullen mo-
gen zyn / dan alle de Grafsteden of Be-
graafplaatsen te samen genomen / welken
in elke Stad of Parochie respective thans
gevonden worden / en op dezelfde wyze
in eigen Graven / huurgraven en gemee-
ne Graven verdeeld zullen moeten worden

3.
Dat na het einde van dezen jare 1795
geene Grafsteden in eenige Kerk meer
zullen mogen worden geopend of geroerd /
maar alle dezelve gesloten zullen moeten wor-
den gelaten / ten minsten tot den jare 1820.

4.
Dat aan een ieder / die thans een Graf-
stede in een Kerk bezit tegens overgifte
zyner bewyzen van eigendom / door de
Municipaliteit zal worden ter hand ge-
steld een Acte tot bewys van eigendom
van een gedeelte in de nieuw aangelegde
Begraafplaats / of Begraafplaatsen / hem
by 't Lot te beurt gevallen /'en evenveel
Lyken als zyn gewezen Kerkgraf kun-
nende bevatten / zonder dat hy daar voor
ietwes zal boeten betalen.

5.
Dat de oude Grfazerken in de Ker-
ken zullen moeten worden gelaten ] zoo
lang de opzichters derzelven / of zooge-
naamde Kerkmeesteren zulks verkiezen;
doch dat daar op alleen de Naamen en
Sterftyden / doch niet de Wapens zullen
mogen blyven / welken zoo dra doenlyk
zullen worden uitgehakt.

6.

                         voor nieuwe Begraaf-
plaats of Begraafplaatsen / door de Be-
zitters van Graven zulks verkiezende /
wel Grafzerken ten hunnen koste ge-
legd zullen mogen worden / en daar op
gesteld de Naamen en Sterftyden der
aldaar Begravenen / doch zonder eenige
Tituls of Wapens

7.
Dat het vervoeren der Lyken naar zoo-
danige Begraafplaatsen zal moeten ge-
schieden / in alle stilte / zonder eenige praal
of noodeloozen omslag / het zy te voet / of
met een geschikt Ry- of Vaartuig / naar
de gelegenheid der Plaatsen

8.
Dat wegens die vervoeringen geen dub-
bel Begraafrechts zal behoeven betaald te 
worden; maar wel wanneer een Lyk
naar eene andere Begraafplaats / dan die
van de Stad of Parochie / zaar zulk
een Mensch gestorven is / vervoerd wordt.

9.
Dat voor den 1. September 1795 alle
Wapens en Rouwkassen / door of van
wege de Eigenaars derzelven ten hunnen
koste / doch onder opzicht der respective
Kerkmeesteren / uit de Kerken zullen mo-
gen worden weggehaald / en dat de over-
blyvende / voor de maand October / ten
behoeve der Armen of Kerken van elke
Plaats zullen worden geamoveerd.

10.
Dat dit echter niet toepasselyk is op
Tombes / Gedenkstukken van kunst / of
diergelyke monumenten / waar door men
de negadagtenis van Vaderlandsche
Staatsmannen / Helden / Geleerden of
Kunstenaars 't eeniger plaatse heeft willen
vereeren en vereeuwigen.

11.
Dat mede voor den 1 september 1795
van de Voorgevels van alle huizen en
andere Gebouwen alsmede van alle
koetsen / jachten en andere ry- of vaar-
tuigen / door de respective Eigenaars zul-
len moeten worden weggenomen of uit-
gehouwen alle Wapenschilden en Orna-
menten van heraldie / op poene / dat zulks
in de voorsz maand / op ordre der Mu-
nicipaliteit / doch ten kosten der Eige-
naars / zal worden ter uitvoer gebragt.

12.
Dat almede voor den 1. September 
dezes jaars / alle gedistingueerde Gestoel-
tens in de Kerken / zoo veel mogelyk /
zullen worden egaal gemaakt / en tot
plaatsen / gelyk met alle anderen / zonder
eenig teeken van onderscheid / geschikt
zullen worden / zoo dat voortaan de Le-
den van eenige Collegien of Ambtenaars /
Heeren of Vrouwen van Plaatsen / geen
afgezonderde of boven andere uitstekende
Zitplaatsen / uit hoofde hunner qualiteit /
zullen mogen hebben.

13. 
En eindelyk / dat / hoe eerder zoo be-
ter / maar uiterlyk voor den 1 Septem-
1795 zal moeten ophouden het dragen
van Leveryen / op poene / dat een iege-
lyk / die / na dien tyd / wordt aangetrof-
fen / eenig stuk van Lverykleeding aan
zyn Lyf hebbende / dadelyk door de Die-
naars der Justitie zal worden geappre-
hendeerd / in een Wachthuis gebragt /
en hem aldaar die kleeding uitgetogen;
en dat / wanneer dezelfde Persoon an-
dermaal in zodanige kleeding gevon-
den wordt / hy / zonder figuur van Pro-
ces / zal worden gecondemneerd / om als
een verlaagd Wezen / dat zyn eigen schan-
de najaagt / in zyn Levery / op een Scha-
vot of Kaak ten toon gesteld / en voords
uit het Territoir van den Rechter geban-
nen / te worden; zullende / desniettemin /
die genen / ten wier Huize zoodanige
Leverydragende Persoonen woonen / of
in wier actueelen dienst zy zyn / deswe-
gen verbeuren voor de eerste reize een
boete van 1 honderd / en voor de tweede
reize / een boete van duizend goude Ducaten /
te bekeeren een derde voor de genen /
die den Liveryendrager hebben geattrap-
peerd / of aangebragt / een derde voor de
Armenkassen der Plaatse / en een derde
voor den Officier / die de Calange zal
hebben gedaan.

En op dat niemand voorwende van
deze inrigtingen onkundig te zyn ge-
weest / zal deze alomme gepubliceerd en
geaffigeerd worden / waar zulks behoordt
en gewoon is te geschieden.
Gedaan in den Hage onder het klein
Zegel van den Lande / den 8 Juny
1795.
Het eerste jaar der Bataafsche Vry-
heid.

P. Gevers, vt
Ter ordonnantie van de
provisioneele Reprae-
sentanten van het Volk
van Holland
C. Scheffer

_________________________________________

IN 's GRAVENHAGE,
By Isaac Scheltus, 's Lands Drukker. Anno 1795

 

 

Bron: Regionaal Archief Alkmaar, Stadsarchief Alkmaar (1254-1815), Inv.nr. 2367,
Plakkaten van de Staten-Generaal, de Staten van Holland en opvolgende besturen. 1651-1814. Gedrukt.

 


Met toestemming van de bewerker voor het internet geschikt gemaakt door Herman de Wit, 2008
 Deze pagina is een onderdeel van de-wit.net