Plakkaat betreffende de huwelijken tussen gereformeerden en roomsgezinden 1755 (Holland)
-

Genealogisch domein

menu.gif (929 bytes)

Overzicht van historische bronnen

menu.gif (929 bytes)

E-mail

text.gif (926 bytes)

 


 

Algemeen Rijksarchief Den Haag, Johannes Allart, 'Groot Placat boek, Inhoudende de placcaten ende Ordonnantien Van de Hoog Mog. Heeren Staaten Generaal der Verenigde Nederlanden ....[etc]', deel 8 (Amsterdam, 1795), blz. 543-544, bibliotheeksignatuur H 21 E-1.

 

 

 

Placaat van de Staaten van Holland, raakende de Huwelyken tusschen Gereformeerden en Roomschgezinden. Den 24. January 1755.

De Staaten van Holland en Westvriesland; Allen den genen die deesen zullen zien of hooren, salut: Doen te weeten: Alsoo wy niets meer ter harte neemen als de conservatie en vermeerdering van de waare Gereformeerde Religie, en zoo veel in ons is willen voorsien, dat deselve geen inbreuk of nadeel koome te lyden, en wy egter tot ons leedweesen verneemen, als of het voor een indifferente zaak zoude kunnen werden aangesien, dat Persoonen van de Gereformeerde Religie zig in Huwelyk begeeven met de Roomsche Religie, waar uit in het vervolg een indifferentie van Religie meer en meer te vreesen is, buyten dat uit zoodanige Huwelyken niet alleen veele twisten en oneenigheeden tusschen zoodanige Egtgenooten, derselver Kinderen en Huysgezinnen ontstaan, maar waar door ook komt te gebeuren, dat eenige, zoo niet alle de Kinderen, uit zoodanige Huwelyken gebooren, in de Roomsche Religie worden opgevoed, ja dat zelfs zulke Gereformeerde Egtgenooten door lastige aanhoudingen en vexatien van haar Roomschgesinde Mans of Vrouwen, en derselver aanhang, worden gepermoveert en verleid, om tot openbaare ergenisse, de waare Gereformeerde Religie te verlaaten, en zig te begeeven tot de Roomsche Religie.

ZOO IS 'T, dat wy met communicatie en overleg van haare Koninglyke Hoogheid de Vrouwe Gouvernante, na ingenoomen advis van den Prśsident en Raaden van onsen Hove, willende voorkoomen, dat onse goede Ingezeeteten door jonkheid van jaaren, onbesonnen driften, verkeerde insigten, en zonder overweeging van de beklaaglyke en verderffelyke gevolgen van de voorschreeve Huwelyken, zoo voor het eeuwige als tydelyke, tot het aangaan van deselve worden verleid, en inteegendeel aan de zulken die daar toe reeds een voorneemen mogten hebben, of in eenige zoodanige Huwelyks- of Trouwbeloften zyn ingewikkeld, de tyd en geleegenheid willende geeven om te luisteren na goede raadgeevingen, en van het voltrekken van die voorneemens of engagementen af te zien, goedgevonden hebben te statueeren en vast te stellen, zoo als wy statueeren en vaststellen by deese:

Eerstelyk, dat (inhereerende onse Resolutie van den 21 Mey 1737. ten respecte van Militaire Officieren ter repartitie van deese Provincie genoomen) die geene, dewelke voortaan Vrouwen van de Roomsche Religie zullen trouwen, niet zullen moogen worden aangesteld tot eenige Ampten of Bedieningen, maar eeven als de Roomschgesinden, daar van zullen zyn geŽxcludeert, en dat niet alleen die geene, dewelke eenige Ampten of Bedieningen besitten, en de Roomsche Religie zullen aanneemen, maar ook die geene, dewelke zig in Huwelyk begeeven met Vrouwen van de Roomsche Religie, met er daad zullen weesen vervallen van de Ampten en Bedieningen, welke zy bekleeden, en dat die Ampten en Bedieningen daar door zullen zyn vacant en impetrabel.

Ten tweede, dat aan geene Persoonen van de waare Gereformeerde Religie, of daar in opgevoed, van wat staat zy zouden mogen zyn, eenige Huwelyksgeboden met Persoonen van de Roomsche Religie, het zy met of zonder consent van Ouders, Groot-Ouders of Voogden, zullen moogen werden gegunt, zoo lang deselve, het zy Mans- of Vrouwspersoonen, den ouderdom van vyf en twintig jaaren niet volkoomen zullen hebben vervult, waar van by exhibitie uyt de Doop-Registers of andere valabele bewysen aan die geene die de Huwelyksgeboden inschryven, zal moeten blyken, ten waare oogschynelyk genoeg te zien was, dat deselve meer als den voorsz. ouderdom hebben bereikt; als meede niet aan eenige Persoonen den ouderdom van vyf en twintig of meer jaaren (zonder onderscheid of deselve Persoonen reeds in eerder Huwelyk mogen zyn getrouwt geweest dan niet) hebben bereikt, zonder consent van Ouders, of een van beide, Grootvaders en Grootmoeders, of eenige of een van deselve, voor zoo verre die in leeven zyn, op poene in voorschreeven beide gevallen, dat de Huwelyken, contrarie aangegaan, zullen zyn onbestaanbaar, en de Kinderen daar uit gebooren onwettig, zonder ooit dan om groote bysondere en dringende reedenen, die ons daartoe zouden mogen moveeren, gelegitimeert te kunnen worden.

Ten derden, dat alle Trouwbeloften tusschen de voornoemde Persoonen, van wat jaaren zy zouden mogen zyn, het zy mondeling of ook schriftelyk, reeds gegeeven of nog te geeven, zullen zyn absolut kragteloos en zonder effect, en dat het dienvolgende aan alle de voornoemde Persoonen ten weederzyden zal vrystaan om ten allen tyde, niet alleen voor het aanteekenen van de Huwelyks-Proclamatien, maar zelfs na dat die reeds zouden mogen zyn gegaan, van de voorschreeve Trouwbeloften te resilieeren en af te gaan, zonder dat het aan eenig Regter gepermitteert zal zyn op de voorschreve Trouwbeloften regt te doen, veel min iemand tot het nakomen van zoodanige Trouwbeloften te constringeeren.

Ten vierden, dat tusschen de voorschreeve Gereformeerde Persoonen en die van de Roomsche Religie, met welke zy in Huwelyk zullen treeden, als was het schoon met consent van Ouders of Groot-Ouders, geen gemeenschap van Goederen plaats zal hebben, gelyk zy ook ten geenen tyde van den anderen uit de voorschreeve Goederen zullen moogen neemen of heffen eenige Douarie, Lyftogt of andere Gaven, het zy uit kragte van eenige Huwelyks-Voorwaarden, by Testamente, gifte, overdragte, cessie of anders, in wat maniere het zoude mogen weesen.

Ten vyfden, dat aan de Kinderen uit voorsz. Huwelyken gebooren, en dewelke in de Roomsche Religie zullen worden of weesen opgevoed en de Roomsche Religie belyden, geen preferentie zal mogen worden gegeeven boven de Kinderen in de Gereformeerde of Protestantsche Religie opgevoed of die deselve belyden, het zy by Testament, Codicille, Donantie, Contract, of op eenige andere wyse, hoe genaamt, maar dat zoodanige Dispositien of Contracten zullen weesen nul en van geender waarde, ten waare de Ouders daar toe mogten hebben wettige en suffisante reedenen, dewelke met kennisse van zaaken door den Regter zullen moeten werden geŽxamineert en gedecideert, en voor zoo verre t'eeniger tyd zouden mogen werden ontdekt, dat contrarie deeses iets zoude mogen weesen genooten of geprofiteert, dat het zelve met een alterum tantum of verdubbelde waarde zal moeten worden gerestituteert en voldaan.

Ten zesden, dat de Huwelyks-Proclamatien van de voorschreeve Persoonen booven de vyf en twintig jaaren oud zynde, in plaats van te gaan van week tot week, zullen moeten gaan van zes weeken tot zes weeken, zoodanig dat de voltrekking van het Huwelyk zelve meede eerst zes weeken na de derde Proclamatie zal mogen geschieden, op gelyke poene, zoo ten aanzien der voorschreeve Proclamatien, als van een daar op gevolgt Huwelyk, als hier voor in het tweede Articul is gestatueert, en dat by het afleesen der Geboden zal moeten werden gedenuncieert, dat dezelve van zes tot zes weeken geschieden uit kragte van dit ons Placaat.

En dewyl wy bedugt zyn, dat onse goede intentie zoude kunnen worden geŽludeert door zoodanige Gereformeerden, die, om met Roomschgezinden te trouwen, zoo verre zig zouden laaten verleyden, om voor het aanteekenen der Geboden, tot het Roomsche Geloof of eenige andere Gezintheyd over te gaan, ten einde dus niet onderheevig te zyn aan het geen hier voor is gestatueert, zoo willen en beveelen wy nog, dat aan geene Persoonen, van wat jaaren of staat zy zouden mogen zyn, die de waare Gereformeerde Religie beleeden hebbende of dezelve toegedaan of daar in opgevoed zynde, dezelve zullen hebben verlaaten en tot de Roomsche Religie of eenige andere Gezintheid zullen zyn overgegaan, en vervolgens met Persoonen van de Roomsche Religie zig in Huwelyk zouden willen begeeven, eenige Huwelyksgeboden met Roomschgezinden zullen mogen werden gegunt, dan na verloop van een jaar, na dat zy de Gereformeerde Godsdienst verzaakt, en van het Roomsche Geloof of van dat van eenige andere Gezintheid professie gedaan zullen hebben gehad, waar van zy behoorlyk en vokldoende bewys zullen moeten vertoonen aan die geenen door welke de Geboden aangeteekent worden, meede op de poene by het voorgaande tweede Articul gemelt; en dat daarenboven in zoodanige Huwelyken meede plaats zal hebben al het geen in de hier voorgemelde Articulen is gestatueert, even als of de voorschreeve Persoonen de Gereformeerde Religie niet hadden verlaaten.

En alzoo het insgelyks tot verydeling van onse salutaire intentie zoude kunnen gebeuren, dat Roomschgezinden zoo verre zouden gaan, van in uyterlyke schyn haar Religie te verlaaten, en tot de Gereformeerde over te gaan, ten einde met een Persoon van deselve Religie te kunnen trouwen, zonder aan het voorschrift van dit Placaat gehouden te zyn, dog met intentie om na het voltrokken Huwelyk tot het Roomsche Geloof weeder te keeren, zoo is laatstelyk onse wille, dat in zoodanigen geval, tot voorkomoing van het zelve, omtrent Persoonen van de Roomsche tot de Gereformeerde Religie overgegaan, en met iemand van de zelve Religie willende trouwen, meede zal plaayts hebben al het geen hier voor ten reguarde van Gereformeerden tot het Roomsche Geloof overgaande, is gestatueert.

En worden alle Magitraaten, Commissarissen van Huwelyks-zaaken, Kerkenraaden, en Predikanten, door welke de inschryvinge der Geboden gedaan en de Trouw gesolemniseert word, respectivelyk gelast, nauwkeurig te letten en zorge te draagen, dat dit ons Placaat behoorlyk en exactelyk in alle deelen nagekoomen worde.

En ten einde niemand hier van eenige ignorantie koome te pretendeeren, lasten en beveelen wy, dat deese alomme zal worden gepubliceert en geaffigeert, daar zulks behoord en te geschieden gebruykelyk is; lastende ook alle Regteren, den Procureur Generaal van onsen Hove, en alle Officieren deeser Provincie, deesen onsen Placaat na te koomen en te doen nakoomen, procedeerende teegens de Contraveneurs zonder eenige oogluykinge of dissimulatie, want wy zulks voor den dienst van den Lande, en ten besten van onse goede Ingezeetenen, bevonden hebben te behooren.

Gedaan in den Hage onder het klein Zeegel van den Lande den 24 January 1755

    (Onderstond)

            Ter Ordonnantie van de Staaten

                    (Was geteekent,)

                            C. BOEY

 

 

© 2001 Herman de Wit, Maarssen
Deze pagina is een onderdeel van de-wit.net