Bosrechten, 1486 en 1534  (Graetheide, bij Born)
-

Genealogisch domein

menu.gif (929 bytes)

Overzicht van historische bronnen

menu.gif (929 bytes)

E-mail

text.gif (926 bytes)

 


Deze bewerking werd ter beschikking gesteld door Mathieu Vandenbosch.

 

 

Bron: Publications de la société historique et archéologique dans le duché de Limbourg.
Tome XII - 1875. blz. 395 - 402.

 

 

Genomen van een kopie op papier uit 1592.

Voorafgegaan door de beschrijving der schenking van
koning Swentibold.

 

Die beschrievinge der Graedtheyde.
895 - 900

Het was eenen heer tot Born, der was geboren van Overlandt, uijt Ungeren (1). Koninck Sanderbaudt was hij genant; die lagh by synder Vrouw en sliep, ende Godt sandt hem in sijnen sinn, dat he sich met haer berije (2), dat hij wolde geven den ermen luijden eene gijffte om Godt, want hij hadde se dick gebrocht in grooter noot; ende het beliefde haer, dat hij hun gaf den bosch geheijten die Graedt metten heijden ende weijden, omdat hij voortijden dese landen metten luijden dickwijls gebracht hadde in groot lijden, met rooven ende branden; soo dat hy aen hon sijn ziele wederom wolde quyten. Ende desselven morgens, doe hij op was, herhaelde hij aen sijne heeren die bij hem waren, wat Godt hem hadde gesandt in sijnen sin ende ginck, doe de mis uijt was, tot einen van sijnen dienaren, en dede hem op sijn peerdt sitten, terstont doe die heeren water genoemen hadden voor den eten; ende soo stracks riet den dienaer van der bruggen; ende koninck Sanderbaudt hadde hem gheseijdt: soo wi veel kirspel-dorpen, dat hij umbrijden konde bijnnen der maeltijdt, die souden op den bosch, heijde, ende weijde gehooren. Soo reet hij het eerst aan tot Born, van Born tot Güttekoven; van Güttekoven tot Limborch; van Limborch tot Sitterdt; van Sitterdt tot Münstergeleen; van Münstergeleen tot Opgeleen; van Opgeleen tot Beeck; van Beeck tot Elsloo; van Elsloo tot Steijn; van Steijn quaem hij aen Huijeren (3), ende daer stont een wijtt ros gesadelt, en sijn peert was moede; ende hij stont van sijn peert en satt sich op dat wijt ros ende leet dat sijne op de plaetse staen, ende reet daervan dannen tot Urmondt; van Urmondt tot Berg; van Berg tot Beecht; van Beecht tot Papenhoven; van Papenhoven tot Büchten; ende reet alsoo tot Holtum; en vandt daer een alt wijff bij dem valderen staen, ende baedt haer, dat sij hem dat valderen op dede, des sij niet doen en wilde; ende doe waerdt hem een teicken gedaen, dat die heeren geten hadden; soo reet hij om Houtomb, ende was noch tot Born te goeder tijd, dat koninck Sanderbaudt met sijn heeren wederom water naemen van der maeltijdt; ende doen vertoeg (4) hij dem heeren, waer hij all geweest was, en wie dat hem al gegangen was. Doen ginck koninck Sanderbaudt sitten ende ordineerde die rechten, die blijfen souden, ende die breuken die hij ende alle toecomende heeren van Born wedeer solden hebben, ende dat hij overheeren blijven solden aen die meergenoemde gemeinde, ende om des gemeinen orbers wille, op dat der bosch niet verganckelijck en worde.

(1) Andere handschriften hebben Lotharingen. Koning Swentibold was inderdaad een Hongaar van geboorte.
(2) Berije, beraden, in overleg treden.
(3) Een ander handschrift voor Houserlinde.
(4) Vertelde.

  1. In den eersten spraeck der koninck: want die vrouw tot Houtem den dienaer niet door laeten en wolt, soo sijn die van Holtumb der gemeinden ten ewigen daghen quijt.
  2. Voort soo sal een heer van Born, die nu is of ommermeer sal worden, een overheijdt blijven, ende sal den voorgenoemden bosch doen hoeden mittwee fursteren; der sal hij eenen setten, en die ganze gemeinde van den XIV kirspelen den anderen; ende dese beijde sullen geeijt sijn ende gesworen den heer van Born en oock der gemeijnden, beijden hunne rechten te bewaeren; und daerum dat een heer van Born desen voorgenanten bosch hoeden sall, als vorgenant is, soo sal een heer van Born dat hoghgericht van der vorgenanten gemeinden en oock dat wijlt dat daerop sal sijn, ende die keuren, die op vorgenaemden bosch fallen sullen als hiernae beschreven staet.
  3. Ende oock heeft een heer van Born dat eijnd, dat uijt den voorgenanten bosch gespleeten is, fur sijnen kamerbrandt, dat geheiten is den Vrijbosch; ende niet meer rechten sall een heer van Born in den voorschreven bosch hebben te boschen noch te hawen.
  4. Item dit sijn die rechten, die die gemeinden op den bosch hebben: In den eersten, soo sal een jegelijck priester, die in die voorschreven XIV kirspelen woont, ende die kirspels kercken bediendt, hebben des jaers IV waghen groen houdt uit den voorsch. bosch: dat is te weeten te alieken hochtiden, korsmessen, paschen, pingsten ende allerheiligenmesse ein foder; ende daer voor sal een jeder priester voorsch. alle sondags in sijn kirspels kercke bidden ende doen bidden voor koninck Sanderboudt en sijn huijsvrouwe seelen. Ende voort soo mach een jegelijck mensch, der woont in eenig van dese voorsch. xiiij kirspelen bosche, wanneer dat hij wilt, op alsulcke keur, als hier na bescheven staet.
  5. Item is het saecken dat jemandt in desen voorsch. bosch veert met wagen, als hij houdt soo roept hij; als hij lijedt (1) soo biddt hij; als hij vaert soo fluidt (2) hij. Kan hij dan alsoo seer gefaeren, dat hij mit zijn vorste peerdt op sijnen hoff kan komen, daer hij woont, dat die vörster hem nae komen, soo sal dan der geene, der den wagen drijeft, sijne roede achterwarts schieten, ende daer met sal hij quijt zijn op dij tijdt.
  6. Maer is het saecken dat hem die försters te achtervolgen konnen, eer hij op sijnen misthoff kan kommen, ende dat hij geladen heeft eenig van drijen keurhaut: dat is te weeten, eijcken, beucken ofte linden, soo sal der füster dat ierste peerdt uijt spanne en penden fur drij rinsche gulden, sonder eenigh wider segghen des geenen, der dat peert is ofte dat haut; ende van dese voorsch: drij rijnsche gulden sullen ij dem heer van Born ende eenen den voorsch. fursteren.
  7. Vort ist saecken dat die förster emandt finden houwen keur haudt, die niet en vaert met waghen, den sullen die försteren penden dat wapen ofte dat bijel, daer hij mit houwt, ende laten hem dat niet losen sij en willent. Vort so magh men tacken van dem keurhout houwen inde all ander hout van der erden, sonder die drij kuerhout, eijcken, boecken ende linden vorsch.; ende waer het saeck, dat emandt keurhout gehouwen hadde ende blijff daer ligen over den derden dagh, en enigh mensch van den xiiij kirspelen vindet, ende kan het bewijsen, dat het soo langh af is geweest, soo is het verleegen hout ende soo mag eenig mensch van de xiiij kirspelen het wegvaeren sonder misdoen.
  8. Item ist saeck dat emandt in den bosch ten ontijt vaert met wagen ende dat hij wederom op sijnen hoff kommen kan, soo is hij frij, maer finden hem die fürsteren, soe mogen sij dan dat voerst peerdt penden, fur ein vat even of V schillingen daervan te geven, ende een kerr für iij schillingen; ende eenen kreutwagen für een alt meurcken; ende dat des daghs niet meer als eens. Die kleijn keuren sijn den fürsteren; ende daer heeft der heer niet aen, en waer het saeck dat emandt eenigh keurhaut afsniede met seegen, dat war gestoolen, ende des heeren will, sonder lijff of lid te neemen.
  9. Ende want een heer van Born seijdt ofte verneempt, dat der bosch voorsch. te seer verfijlt ofte schangen geijt, soo magh he den bosch doen te vreeden leggen met raedt der xiiij kirspelen-dorpen voorsch., op einen dagh als hij wilt; maer soo mott hij dan des nesten sondags dar bevoorn doen gebijeden in de voorsch. xiiij kirspelskercken, dat sij komen op eenen gemeijen dagh in de eerst genoemde weeck aen denselven bosch thegen Bergh, op dem Roorsack (3). Ende blijfft eenigh van den voorsch. kirspeldorper buijten, ende die, wer der Heer van Born ende des boschrecht niet souden gehoorsamen op den genoemden dagh, der in de kercke geboden were, soo magh den Heer van Born mit raedt der anderen, die daer waren, soo vern als emandt uijt den kirspel op de voorsch. houtgheding were, wael afsluijten; maer wer daer eenigh ander kirspel van de xiiij kirspelen sterck van leuden, die mogen hun wael leenen man van hunnen luijden, end aermit sullen sij noch bij hunne gerechtigheid blijfen die sij tot den voorsch. bosch hebben. Ende daer sal hij mit raede der gemeinden van den xiiij kirspelen den voorschreven bosch te vreeden leggen, v jaer often iij jaer, daer nae dat dit den Heer met der gemeind oorberlijck dunkt te sijn in alsulcker maeten.
  10. Of het saeck were dat emandt binnen den tijden dat hij te vreeden ligt boscht (4), het were groen hout ofte tacken van den voorsch. drijer keurhout, met waghen, kanrren ofte busselen, den die fürsteren vinden, eer hij op sijnen hoff quaemn als voorchreven is, den sullen die voorsch. fürsteren penden für den hoogen keur.
  11. Ende were het saeck dat desen voorsch. bosch te vereeden lagh, en dat dan een heer van Born emandt hout in de voorsch. bosch geeft, het were luttel ofte veel, soo moghen alle de voorsch. gemeinden wederom bosschen als eerst, eer hij te vreeden gelacht was.
  12. En were het oock saeck dat emandt fuhr door of nevenden bosch mit kar ofte met waghen, ende dat hem iet brak aan zijn getouw, ein rond ofte ein tonge oft ein witze, die magh ein ander in den bosch houwen ende legghen dat alde op de stadt, of den bosch te vreeden ligge of niet,sonder eenigh misdoen.
  13. Vort were het saeck dat de fürsteren emandt fanden, der geboscht hadde in den vorsch. Bosch met der nacht ofte daege op sondag ofte op geboden vijerdaghen, den mogen sij borchtochten ofte fangen tot des Heeren wille van Borne sonder hem lijff oft lidt af te nemen.
  14. Item ofte emandt die woont in den voorsch. xiiij kirspelen hout in den bosch gehohlt hedde en heddet vrij heijm op sijn goedt, ende droget ofte fuhret uijt den xiiij kirspelen, end die fürsteren of emandt der in die xiiij kirspelen woont mogen die luijden dan aenbrengen ende borchtochten;die dat gedaen hebben sullen aen den Heer sijn verfallen, sonder lijf ofte lid te nemen, tot sijnnen wille. Ende desgelijcke ofte een huijs van den hout uijt den bosch getimmert were, en mag men niet brecken ende buijten den kirspelen verkopen; ende wer dat eerstwerff aenbrengt sal sijn borchtocht daeraf hebben oft die förster het gedaen hedden.
  15. Ende were het saeck dat emandt boschde in vorsch. Bosch, der niet en woont in eenig van den vorsch. Xiiij kirspelen, het were mit waghen of sonder waghen, en dat dien emandt vonde, der woonde in den xiiij kirspelen, die moghtem penden für den hochsten keur, gelijck oftem die förster gepandt hedden.
  16. Wanneer een heer van Born eenig hout weggeeft, soo ist dergeene dem dat hout gegeven is, als hij het afhoudt, schuldig den försteren van sijnen hout eenen alden groot.
  17. En were het oock saeck, dat emandt van den fürsteren borchtocht were, ende seggen wolde, hij en were niet te recht geborchtocht, soo dal der Heer van Born, tot sijnen genoegde, dan een houdtgeding doen maecken, wie dat voorschreven is, en wat dan die xiiij kirspelen hem wisen nae der kunden van der fursteren oft goede luijden, dat magh he nemen.
  18. En were het saeck dat emandt gewisen wordt op des hoffs hogen keur, het were man ofte wijff, ende stelde den keur niet af, soo sal en mag der Heer van Born die fürster senden in die kirspel daer hij woont, en doen desen menschen geseggen, dat sij hem zenden te Born voir sijnen keur; ende doen sij des niet, soo sullen sij allen van desen kirspel der gemeinden met sijnem toebehoor quijt sijn, soo verre hij hem krijgen konnen. Ende als hij hem te Born heeft, soo magh hij hem doen halden ter tijdt toe, dat hij die keuren ofte keur betaelt, soo wij dat gelegen is.
  19. Ende wilt ein Her van Born nader bescheidt sien ofte horen van den vorsch. Xiiij kirspelen, so sullen sij dit bewisen met hun bosschen ende houwen, drijven ende vlieten ende varen tot der vorsch. gemeinde uijt ende in, so als sij dat für mennigen jaren her gebracht hebben, ende mit hunne gemeine veestraete, die uyt elcken kirpselen komen op den vorsch. gemeinden; ende dat sijn hon segelen ende brief, die van gantzer werde sullen sijn totten ewigen daghen toe, gelijck die hier to gehalden en gegeven sint.
  20. Item die fürsteren sullen alle sondaghs te Born ter misse komen en als de misse uijt is, oock mit op der borch gaen, en dan sal men hun die sop geven, ende sullen bij hunnen eijdt, den sij gedaen hebben, de rechte waerheijdt seggen aen den Heer van die keuren ende bruecken, die binnen der vorsch. weeke verschenen ende gefallen sijn; ende dan is den Heer elicken förster alle jaers eenen grauwen winter tabbert schuldig.

Item in dem jaer ons heeren 1486 werd ganz verdraeghen, dat alle de gheene, die in den xiiij kirspelen woonen ende opgaende bruggen henbben dat die voortaen op den voorsch. bosch geen rechten hebben, want sij für hun selven herlichheijdt hebben; en willen, men sall sij borchtochten off sij daerop doen bosschen of houwen.

Eenig halffener, die in die xiiij kirspelen wonen, ende met hunnen nabueren geen gebuurschap halden en willen, sullen afgeslooten worden tot der tijdt toe, dat sij gemoet sijn met den nabeuren lijft ende leijdt te te lijden, doen sij daerboven, men sal sy borchtochten.

Al deese puncten staen tot erkentenisse der 28 man, te weten van ider kirspel twee.

(Onder stont)
Item dat vors. is gecollationeert mytten principael, dat ich vonden hebbe int ampt van Born, op dinsdach in juny genaemt hoymaent, Anno xvCxxxiiij

(1) Liedt: den wagen belaadt met hout
(2) Als hij wegrijdt zal hij fluiten.
(3) Andere handschriften hebben Neursaeck of Reursack
(4) Hout kapt.

 

   

© 2003 Herman de Wit, Maarssen
Deze pagina is een onderdeel van de-wit.net